Euthanasie Stop - http://www.euthanasiestop.be

... euthanasie uitbreiden tot kinderen en mensen met dementie ?

Uitgebreid zoeken OK
Euthanasie Stop > Zeg me welke wetten je maakt, en ik zal je zeggen hoe je tegen de mens aankijkt.

Zeg me welke wetten je maakt, en ik zal je zeggen hoe je tegen de mens aankijkt.

Ingediend op 10/12/2013 om 16.42 uur  Categorie Mening van juristen

  • Imprimer

Frank JUDO Frank JUDO
Advokaat

Als het erom gaat te weten hoe onze wetgever aankijkt tegen de mens, welk mensbeeld hij heeft, dan is de wijziging van de Euthanasiewet van 2002 zonder meer leerrijk te noemen. Daarvoor zijn meerdere redenen.

Een aantal voorstellen (met name de voorstellen-1798 en 1799) worden zelfs niet verantwoord door verwijzing naar een visie op wat maatschappelijk al dan niet wenselijk is. Verwijzingen naar opiniepeilingen, al dan niet aangevuld met enigszins lukraak geselecteerde wetenschappelijke literatuur, vervangen de eigenlijke motivering.

Die benadering zegt veel over het zelfbeeld van de parlementsleden die ten grondslag liggen aan deze voorstellen: het parlement als een gevoelige seismograaf van de snel wijzigende publieke opinie.

Het is daarbij opmerkelijk dat deze visie lijnrecht ingaat tegen het zelfbeeld van parlementsleden die zich tien, twintig of dertig jaar geleden lieten opmerken als voortrekkers in ethisch-wetgevende dossiers. Volgens deze vorige generatie, kwam het het parlement toe vooruit te lopen op de publieke opinie, en door de goedkeuring van wetgeving een visie duidelijk te maken op waar onze samenleving heen moest. Die visie op het parlement als baken en gids heeft kennelijk veel van zijn overtuigingskracht verloren.

Tegelijkertijd toont het beroep op de opiniepeilingen aan dat in onze democratische rechtsstaat het adjectief het gewonnen heeft van het substantief: wat de meerderheid beslist, is wenselijk, los van alle denkbare tegenargumenten. Die visie is respectabel, maar gaat opnieuw lijnrecht in tegen de evolutie van de laatste decennia, die net een inperking van de democratische volkswil te zien gaf, om grondrechten van personen en groepen van personen te waarborgen. De toenemende rol van grondrechtenverdragen, ten nadele van ongebreidelde nationale soevereiniteit, getuigt daarvan.

Aldus bekeken, is deze benadering van de wijziging van de euthanasiewet geen voortzetting van een langere evolutie naar een mythische "open samenleving", maar veeleer het tegendeel ervan.

Andere wijzigingsvoorstellen gaan echter uit van een andere filosofie, en sluiten nauwer aan bij het wetgevend werk in ethische aangelegenheden van een vorige generatie (van de abortuswet tot de ethische wetgeving van paars-groen). Zo plaatst wetsvoorstel-154 zich resoluut in de traditie die de autonomie van de persoon centraal staat.

Bij nader toezien is die keuze toch niet zo resoluut, en wordt zij gecombineerd met een grote aandacht voor het "waardigheidsbesef" van de persoon. Let wel: zijn waardigheids-besef, niet zijn waardigheid.

Die laatste term zou ons meteen herinneren aan die plechtige vermaning van het allereerste artikel van de Duitse grondwet, die verklaart:

"De menselijke waardigheid is onaantastbaar."

Voor alle duidelijkheid: er staat niet (alleen) dat de menselijke waardigheid niet mag worden aangetast, noch door de overheid, noch door medeburgers. Er staat dat de menselijke waardigheid niet kan worden aangetast. Ondanks alle stormen en bedreigingen, blijft de menselijke waardigheid overeind. Een geloofsbelijdenis, veeleer dan een verbod. We kennen de context waarin deze geloofsbelijdenis tot stand is gekomen.

In wetsvoorstel-154 vraagt de auteur zich af "Wie het een patiënt kwalijk nemen dat hij door zijn toestand geen zelfrespect meer heeft ?" Niemand, dat is duidelijk. De vraag is of dat hoeft te betekenen dat ook anderen de patiënt niet meer hoeven te respecteren, of preciezer: het met de patiënt eens moeten zijn dat diens waardigheid tot een einde is gekomen.

Een mensvisie die de autonomie dermate centraal stelt, dat zij niet langer onderworpen is aan de proportionaliteitsvraag, acht deze vraag zinloos, of futiel. Die mensvisie was niet de visie van de auteurs van de grote teksten over grondrechten. Alleen al om die reden mag het debat niet eindigen bij een plechtige proclamatie van de individuele autonomie – hoe relevant en waardevol die ook kan zijn.

Laat het overigens duidelijk zijn: een beroep op menselijke waardigheid is ook niet zonder gevaren. Een overheid die gaat definiëren wat al dan niet beantwoordt aan de menselijke waardigheid, matigt zich een exuberante bevoegdheid aan, en zet de deur open voor allerhande vormen van misbruik. Ook daartegen verzet zich de grote geloofsbelijdenis van de Duitse grondwetgevers:

"De menselijke waardigheid is onaantastbaar."

Wat er ook gebeurt, de mens blijft in zijn waardigheid. Dat impliceert ook dat wie kiest voor euthanasie, zijn waardigheid niet verliest – daarover gaat het niet. Het gaat er wel over dat geen mens die waardigheid kan worden ontzegd, ook al is ze bedreigd en gefragiliseerd.

In die zin past nog grotere bezorgdheid bij een discours dat een wijziging van de euthanasiewet presenteert als een waarborg voor het behoud van de menselijke waardigheid. Ondanks alle goede bedoelingen, leidt die visie er onvermijdelijk toe dat de waardigheid van elke persoon gerelativeerd wordt, ter discussie komt te staan en – wie weet – ooit beoordeeld zal moeten worden door derden, weze het artsen of rechters.

Daarom is de fundamentele vraag die naar de waardigheid – een waardigheid die buiten kijf staat en onverbrekelijk verbonden is met het mens-zijn zelf. Meer nog dan over het recht op leven, gaat het hierover. Niet over een "recht op waardigheid", want dat impliceert weer een relativiteit van die waardigheid. Neen, om waardigheid zonder meer. Om een mensvisie die de mens de moeite waard vindt.

De waardigheid van de mens is relevant in elke discussie, persoonlijk, maatschappelijk of wetgevend. Dat is een goede reden om zuinig om te springen met het concept, en deze sleutel tot menselijk samenleven niet te pas en te onpas te gebruiken als een argument om delicate regelgeving te motiveren – ook niet als zij een ruim maatschappelijk draagvlak zou vinden.


Auteurs (Alle auteurs)